VPRO Gids

Het einde van de Bimbo-Box

Holland Doc radio

Radio 1, 21.04-22.00 uur

Ooit stond in iedere v&d, dierentuin en pretpark een glazen vitrine met een mechanisch apenorkest. Waar kwamen de Bimbo-Boxen vandaan? En waar zijn ze gebleven? 

Bimbo-Box serieproductie in Magstadt, ca. 1960. Uiterst links Walter Palme, tweede van rechts Walter Talk. Foto: Archief Walter Palme.

In mijn tas zit een aap met sombrero. Het is niet zomaar een aap, maar een zeldzaam wezen dat diep verankerd ligt in het collectief geheugen. Want iedereen boven de dertig kent de wereld waar hij vandaan komt: de Bimbo-Box.

Nou ja, bijna iedereen. Er zijn mensen die nooit een kwartje gooiden in het aapjesorkest, en die zelfs nooit is opgevallen dat in iedere v&d bij de roltrap of lift een Bimbo-Box stond, en ook in Artis en pretparken. En natuurlijk heb je mensen die denken dat de Bimbo-Box goedkope kermisrommel is, de aandacht niet waard. Hoe onterecht! Honderdduizenden zijn ooit betoverd door de Mexicaanse aapjes, die driftig op hun gitaren sloegen, met sambaballen schudden, op trommels roffelden en hun saxofoons naar boven zwaaiden, terwijl ze mechanisch hoekig – en altijd uit de maat – meeswingden op de muziek van Herb Alpert. En dat alles onder een glazen vitrine, waar ze met vijf, zeven of vijftien stonden opgesteld in een gifgroen perkje, omlijst door gekleurde gloeilampen en palmen tegen een spiegelende achterwand die het tafereel verdubbelde. Waar kwamen de Bimbo-Boxen vandaan? Waarin zit de magie? En waar zijn ze gebleven? Allemaal dringende vragen, want er is nog nooit serieus over het apenorkest bericht en de informatie op internet is fragmentarisch en onbetrouwbaar. Voor antwoorden reis ik al dagen met de trein door Duitsland. En dan nog iets: hoe komt die aap in mijn tas?

Droom
De Bimbo-Box is geboren in Magstadt, een vlek ten westen van Stuttgart. Op straat kijken ze me glazig aan als ik vraag naar Affen-Talk. Alleen een enkeling weet nog wie dat was. In de herfst van 1957 reed de jonge ondernemer Walter Talk het dorp binnen, met een lading onderdelen uit zijn geboortestad Coburg, een centrum van speelgoedproductie in het noorden van Beieren. Hij had een droom, en dat was de aapjesmachine. Helemaal origineel was dat niet, want al in de negentiende eeuw bestonden mechanische apenorkesten. Maar met de nieuwste elektronica moest een flinke serieproductie mogelijk zijn en in een huis aan de Ihingerstrasse knutselde Talk apen in elkaar van poppenmechanieken, teddybeervachten en apenkoppen van papier-maché. Een jaar later stond zijn Bimbo-Box op de Frankfurter Messe en was meteen een hit. Al snel werkten vijftien mensen bij de firma uta Elektrotechnik van Affen-Talk, waaronder technicus Walter Palme die nog steeds in Magstadt woont.

‘Het was hard zwoegen, vaak wel veertien uur per dag. Overuren kreeg je niet vergoed en ik accepteerde dat, want ik werkte voor een doel. En ik ging mee op reis om Bimbo-Boxen af te leveren. Naar Amerika, waar we er veertig verkochten, en ook naar Nederland, Portugal en Italië. Hoeveel we er hebben gebouwd? Ik weet het echt niet meer. 300? Goed, jij je zin.’ Palme spreekt zakelijk over de Bimbo-Box: ‘Ik moest gewoon geld verdienen, net als Talk.’ En de charme van het hoorbaar ratelende mechaniek ziet hij als een onbedoeld bijverschijnsel. ‘We probeerden de natuurlijke bewegingen zo goed mogelijk na te bootsen, met de mogelijkheden van toen.’ De Bimbo-Box was een exportproduct, een van de vele voorbeelden van naoorlogse Duitse Feintechnik uit de streek van Porsche en Daimler, en een piepklein radertje in het Wirtschaftswunder. Maar in 1962 was het voorbij. Affen-Talk had omzet en winst hopeloos door elkaar gehaald en ging failliet. Palme: ‘Hoe moet ik het zeggen, hij heeft van het goede leven genoten. Ik heb veel van hem geleerd, namelijk hoe het niet moet.’ Talk vertrok naar Stuttgart, en daar houdt het spoor op. Hij is vroeg overleden, Palme schat zo rond 1980.

Kwartje
Een paar jaar lagen de apen opgeborgen in een loods, tot de hele kraam in 1965 werd opgekocht door Ernst Böck, een zakenman uit het mooi gelegen Beierse plaatsje Illertissen. Het is een paar uur over het spoor en ik denk onderweg  aan mijn eigen kennismaking met de Bimbo-Box. Dat ik er veel meer in zag dan wat het was. Dat er een hele mysterieuze wereld bestond onder die glazen kap.

Op internet zijn ontroerende herinneringen te lezen, zoals van Doortje, die de Box kent van zondagen op de Westerbouwing bij Nijmegen. ‘Ik liep voorzichtig die kant op als de aapjes speelden; als je gereformeerd was mocht je geen geld uitgeven op zondag. Heel af en toe kreeg ik een kwartje van mijn vader, als niemand keek. Hij deed dan ook altijd behoorlijk geheimzinnig, alsof we iets deden wat eigenlijk niet mocht.’

Wat nu zeker niet meer zou mogen is de term Bimbo. Dat is een racistisch Duits woord voor zwarte man, en de Bimbo-Box valt dus in een categorie ver voorbij de negerzoen. Walter Talk heeft in de krant ooit gezegd dat je evengoed negers in de Box kan klikken, hij had ze op voorraad. Aan de andere kant: ik heb die negertjes nog nooit in een Box gezien.

Zeven apen, een compleet orkest voor een Bimbo-Box. Foto: Marten MinkemaDozen
Op het erf van de familie Böck ontmoet ik de sympathieke dertiger Joachim Salzgeber. Hij is de laatste Bimbo-Boxbouwer en kleinzoon van Ernst die nu vijf jaar dood is. Böck moet een rijzige man zijn geweest, die lange, dikke Brasil-sigaren rookte van het merk Al Capone, intussen Pac-manconsoles en elektrische hobbelpaarden exploiteerde en doorbouwde aan de apenorkesten. ‘Hier zijn er een stuk of zeventig gemaakt,’ telt Joachim die mij voorgaat naar een de werkschuur achter het huis. We betreden een donker hok. Daar liggen tientallen kartonnen dozen met apen opgestapeld. Joachim wijst me zakken met honderden saxofoons, palmbomen, drumstellen en trompetten: alles nog origineel van Walter Talk. Hoeveel zal hier liggen, dat het na al die jaren nog niet op is? ‘Bijna duizend apen, maar die zijn niet allemaal gelijk. De koppen verschillen en ze hebben minstens vijf soorten vacht, van rood en donkerbruin, met lang en kort haar, pluizig of wollig.’ Hij trekt een stoffige doos van de bovenste plank. En kijk; het zijn de negertjes! De van oorsprong blanke poppenhoofden zijn zwart gespoten op een adresje in Coburg, alleen de felblauwe ogen niet. In een hoek ontdek ik een doos vol Bimbo-Box merkplaten. ‘In Berlijn staat een Box waar ze steeds vanaf worden gestolen. Dan hangt de eigenaar van het café weer aan de lijn, of ik een nieuwe wil sturen.’

Grootvader Böck leverde ook reserve-onderdelen aan het Nederlandse automatenbedrijf Gamo, dat de vijftig Bimbo-Boxen in ons land onderhield. Elektromonteur Henk Maas kwam in 1971 in dienst en reed van hot naar her voor reparaties aan speelautomaten. ‘Aan Bimbo-Boxen ging niet veel kapot, het zijn eenvoudige machines.’ De aapjes staan opgesteld in twee of drie rijen. Onder iedere rij draait een verborgen aandrijfstang over de volle breedte als een braadspit in het rond. Op de stang kun je de mechanische aapjes monteren. Maas: ‘Soms schoot de aansluiting tussen het aapje en de stang uit de kom. Dan hoorde je bij binnenkomst al wat er aan de hand was: bong! bong! bong! Gooide die aap steeds z’n kop tegen de ruit.’

Ja, de falende Bimbo-Box: nog zoiets. Veel dierbare herinneringen gaan over het vergeefse van de illusie. Over een verdorde bromvlieg in de vitrine, of door de zon verbleekte sombrero’s. Volgens Joke op internet ‘gebeurde het wel eens dat één aapje defect was en niet meespeelde. Dan kon ik mijn ogen niet van dat ene aapje afhouden, wachtend tot die ook meedeed, wat niet gebeurde en dan was mijn dubbeltje alweer verspeeld.’

Pannenkoekenhuis
Sinds de jaren tachtig is de Bimbo-Box alleen nog sporadisch gebouwd voor verzamelaars. Kinderen hebben nu Nintendo en vallen niet meer voor de aapjesmachine. Hoewel: dat laatste is een trieste misvatting, denkt Henk Maas. ‘Het ligt niet aan de kinderen. Het zijn de ouders die hun kinderen niet meer meenemen naar de Bimbo-Box. Omdat ze zelf de lol zijn vergeten van het aanraakbare, het fysieke.’

Inmiddels is Gamo overgenomen door Prontophot (van de pasfotocabines op treinstations; alle automaten zijn familie van elkaar) en die heeft welgeteld nog één Bimbo-Box in het land staan, in speeltuin Groenendaal in Heemstede. Verder draaien aapjesorkesten in een pannenkoekenhuis te Ugchelen en warenhuis Van der Veen in Assen. De v&d in Nijmegen houdt hem in ere en zelf heb ik een Bimbo-Box gezien in het Weesper Automaten Kabinet,  maar dat is het dan zo’n beetje (neem me niet kwalijk als ik een Box over het hoofd zie).

In de donkere opslag in Illertissen word ik intussen geplaagd door een enorme hebberigheid, die zich een weg baant vanuit mijn kindertijd, alsof er geen jaren tussen hebben gezeten. Ik wist niet dat ik het in mij had, het zal het ontbreken van de glazen barrière zijn, kortom: ik heb een zeldzaam koopmoment en wil dolgraag zo’n aapje hebben. Kan dat? Wat mag het kosten? Nee, ze zijn niet te koop. Maar grote verrassing: ik krijg er bij hoge uitzondering zomaar eentje mee. Het is een hele mooie langharige trommelaar met sombrero. De aap is van jaren voor mijn geboorte, en toch oogt hij gloednieuw, zo uit de doos.

Ziel
Er blijven genoeg over, denkt Joachim. ‘Regelmatig bellen mensen die een Box willen, en dat zijn bijna altijd Nederlanders. Die moet ik teleurstellen, want ik maak ze al jaren niet meer. Ik heb een goede baan, een gezin en het veel te druk. Misschien begin ik ooit weer, maar eigenlijk wil ik niet dat dit alles opraakt. Dat ik nog vijftig stuks bouw en dat het dan voorbij is.’ Hij pakt een naakt apenmechaniek. ‘Dit is de ziel van de Bimbo-Box, hierin zit de originele apenmotoriek. Je kunt dit wel namaken, maar dat is onhaalbaar duur omdat het een exacte kopie moet zijn. Verander je ook maar een millimeter, dan bewegen de apen anders en is de ziel weg.’

En nu zit ik in de trein terug naar Nederland. Laat Beieren achter me en de heuvels glooien steeds zachter, tot vlak landschap overblijft. Ik open de plastic zak en kijk naar mijn aap. Een schuldgevoel steekt de kop op. Ik heb hem weggerukt van zijn maten, van de apenkolonie in Illertissen: het is tenslotte een groepsdier. Verrückte gedachten, het is een robot. En toch… Weet je wat: ik koop een wijnkistje, zet die omgekeerd neer, plak er nepgras op en monteer de aap daar bovenop. In het kistje zet ik een motor, ik zoek er een Afrikaans trommeltje bij en kan vast ook nog een palm vinden… Nee, dat is het ook niet. Het is alles of niets met zo’n apenorkest, je doet het goed of je begint er niet aan. Misschien, misschien staat ergens in Nederland nog een stoffige afgedankte Bimbo-Box op zolder, met zes treurende aapjes omdat net één aapje mist.

Marten Minkema - 15 mei 2011