Close up: Jan Cremer
Nederland 2, 18.15-19.10 uur
Documentaire belicht literair rebel Jan Cremer als serieus beeldend kunstenaar. ‘Als ik ooit heenga zie je een brandende weg waar ik overheen gereden ben.’
Als je de huidige Nederlandse literatuur in één woord moet omschrijven, dan is het: keurig. Keurige boeken, geschreven door ideale schoonzoons en vooral -dochters voor een publiek van dames in leesclubjes. Geen onvertogen woord weerklinkt. Waar blijft bijvoorbeeld de eerste roman over Srebrenica? Literatuur is een grotendeels vrouwelijke aangelegenheid geworden en ook de mannen zijn als vrouwen gaan schrijven. Veel belangwekkend geachte passages over de achtergrond en gemoedstoestand van de romanpersonages, maar bitter weinig aandacht voor actie en stijl; het kenmerk van de damesroman. Komt dit door het oestrogeen in het drinkwater als gevolg van grootschalig pilgebruik? Je zou bijna aan een complot gaan denken. Het wordt tijd voor een man – een échte man – die de dames in die truttige leesclubjes eens een goeie beurt geeft. Voor een man, kortom, als Jan Cremer!
Toen de kunstschilder Jan Cremer (1940) in het muffe 1964 met het voorwiel van zijn Harley Davidson de statige toegangsdeur tot de Nederlandse literatuur aan splinters reed, verkocht hij anderhalf miljoen exemplaren van zijn debuutroman Ik Jan Cremer. De combinatie van humor en bravoure waarmee Cremer verslag deed van zijn avonturen en vrouwenveroveringen, was een verademing in die bedompte tijd. De verkrampte reactie van moraalridders die zijn boek wilden verbieden, droeg alleen maar bij aan zijn notoriteit. De rebelse kindertehuisjongen uit Enschede (‘Ik lees niet, ik word gelezen.’) werd vergeleken met Jack Kerouac en Louis-Ferdinand Céline. Maar in de mooie documentaire Jan Cremer – Ik schilder, ik schrijf, ik schilder van Peter Scholten, uitgezonden in het Avro-cultuurprogramma Close up, betreurt Cremer het dat hij door zijn imago uit de Ik Jan Cremer-boeken lange tijd niet als beeldend kunstenaar serieus werd genomen. Met de opening van ‘Het Cremer’, het aan hem gewijde museum in Enschede, is dat wel voorbij. De documentaire, samengesteld uit een rijkdom aan archiefmateriaal en nieuwe interviews, richt zich dan ook vooral op zijn schilderschap. We zien de kloeke zestiger Cremer aan het werk in Umbrië, waar hij naast Amsterdam, Parijs en New York een pied-à-terre heeft. En wat voor één: een kast van een huis met een olijfboomgaard. ‘Je kunt jong sterven of heel oud worden,’ zegt hij. ‘De tijd van jong sterven is voorbij, ik ga voor 108. En als ik ooit heenga zie je een brandende weg waar ik overheen gereden ben.’ Zijn recente zeelandschappen getuigen van kracht en zelfverzekerdheid, die zijn eertijds omstreden uitspraak ‘Rembrandt, wie is dat? Ik heb geen verstand van sport’ ruimschoots rechtvaardigen. ‘Ik vind mezelf geen mythe,’ zegt hij, ‘de historie zal het uitmaken.’ Wel jammer dat het in 2008 gepubliceerde derde deel van de Ik Jan Cremer-trilogie, waarin hij teruggrijpt op zijn Amerikaanse avonturen uit de jaren zeventig, een relatief lauwe ontvangst heeft gekregen, al is inmiddels een derde druk verschenen. Een echte rebel wordt blijkbaar niet meer herkend. Op een opvolger hoeven we dus niet te rekenen. Jan Cremer blijft uniek.





